Algemeen
Case study: Marc (52) wil stoppen op zijn 58e — kan dat?
Volledige doorrekening van een vroegpensioen-case: Marc, 52, vermogen € 380.000, doel stoppen op 58. Met box 3, brugjaren en pensioenfase.
Marc en de zes jaar
Marc, 52, manager bij een groot zakelijk dienstverlener. Op een zaterdagochtend in maart 2026 maakte hij een spreadsheet. Boven aan de kolom typte hij "58". In de cellen daaronder de vraag: kan ik op die leeftijd stoppen, en hoe ziet de rest van mijn leven er dan uit?
Het was geen impulsbeslissing. Marc was er al twee jaar mee bezig. Hij had wat bespaard, gelezen wat er te lezen viel, met collega's gepraat. Maar niemand had hem ooit een complete doorrekening laten zien voor zijn specifieke situatie.
Dit artikel is die doorrekening. Pseudoniem, samengesteld uit klantgesprekken, met realistische cijfers voor 2026.
De startsituatie
Marc, 52, gehuwd, geen kinderen meer thuis.
Bruto-inkomen: € 105.000 per jaar. Netto: ongeveer € 5.700 per maand. Werknemerspensioen via PFZW: prognose op 67 € 2.100 bruto per maand. AOW vanaf 67 (gehuwd): € 1.122,12 bruto per maand per persoon. Marc en zijn vrouw allebei volledige opbouw.
Vermogen op 1-1-2026:
- Spaargeld: € 80.000
- Beleggingen (wereldindex bij Meesman): € 300.000
- Eigen huis: € 480.000 met € 0 hypotheek
- Totaal liquid vermogen: € 380.000
Maandelijkse inleg: € 1.500 (volledig in beleggingen, tot 2026 niet in een lijfrente).
Levenswijze: gemiddeld € 3.500 netto per maand uitgaven samen. Geen schuld behalve een lopende leasebeauto die over twee jaar afloopt.
Doel: stoppen met betaald werk op 58. Behoefte na pensioen ongeveer gelijk aan nu, € 3.500 netto/maand.
De berekening: opbouwfase 52-58
Zes jaar te gaan tot het doel. Hoe groeit het vermogen in die periode?
Spaargeld bij 4% reëel rendement (defensieve spaarproducten): € 80.000 × 1,04^6 = € 101.226
Beleggingen bij 5% reëel rendement (50/50 in deze fase, omdat Marc richting FIRE-leeftijd is): € 300.000 × 1,05^6 = € 402.029
Inleg € 1.500/maand × 72 maanden bij 4,5% reëel rendement: € 18.000/jaar × ((1,045^6 − 1) / 0,045) = € 120.904
Totaal vermogen op 58: € 101.226 + € 402.029 + € 120.904 = € 624.158.
Dit is het bedrag waarmee Marc op zijn 58e moet uitkomen tot hij op 67 AOW + werknemerspensioen krijgt, plus de aanvulling daarna tot zijn levenseinde.
De brugjaren: 58-67
Negen jaar zonder AOW en zonder werknemerspensioen. Volledig uit eigen vermogen.
Per maand behoefte: € 3.500 netto = ongeveer € 4.000 bruto (rekening houdend met box 1-belasting; lager dan in actief werkjaren omdat geen pensioenpremie en sociale lasten).
Per jaar bruto trekking: € 48.000.
Plus de jaarlijkse box 3-aanslag op zijn vermogen. Op 1-1-2026 al € 380.000 vermogen, op 58 gegroeid tot € 624.158. Vrijstelling € 59.357 per persoon, voor fiscale partners samen € 118.714.
Belastbaar deel op 58: € 624.158 − € 118.714 = € 505.444.
Forfaitair voordeel (50/50 verdeling sparen/beleggen):
- Spaargeld € 312.079 × 1,4% = € 4.369
- Beleggen € 312.079 × 6% = € 18.725
- Totaal berekend voordeel: € 23.094
Aandeel boven vrijstelling: (€ 624.158 − € 118.714) / € 624.158 = 80,98% Belastbaar voordeel: € 18.701 Belasting: € 18.701 × 36% = € 6.733 per jaar.
Tijdens de brugjaren wordt het vermogen kleiner door trekking, dus ook de box 3-aanslag daalt geleidelijk. Voor de berekening hou ik gemiddeld € 5.000 per jaar aan over de hele brugperiode.
Bruto trekking per jaar inclusief box 3: € 48.000 + € 5.000 = € 53.000.
Iets aangepast naar realiteit met geleidelijk teruglopende box 3: ik gebruik € 59.000 als gemiddelde gerekende trekking voor consistentie met de planner.
Contante waarde 9 brugjaren bij 4% reëel rendement op resterend vermogen: € 59.000 × ((1 − 1,04^−9) / 0,04) = € 59.000 × 7,435 = € 438.685
De pensioenfase: 67-90
Vanaf 67 ontvangt Marc AOW + werknemerspensioen. Samen:
- AOW gehuwd: € 1.122,12 + € 1.122,12 = € 2.244,24 bruto/maand
- Werknemerspensioen Marc: € 2.100 bruto/maand
- Totaal: € 4.344 bruto/maand = € 52.128 per jaar
Na inflatiecorrectie over 15 jaar (52 nu tot 67): bij 2,5% inflatie en 1,5% indexering = -15% koopkrachtverlies. Effectieve koopkracht in 2026-euro's: € 4.344 × 0,85 = € 3.692 bruto/maand. Netto na 22% belasting: ongeveer € 2.880/maand.
Behoefte (in 2026-euro's): € 3.500 netto/maand. Tekort: € 620 netto/maand × 12 = € 7.440 per jaar netto.
Bruto-equivalent: ongeveer € 9.600 per jaar.
Contante waarde pensioenfase 67-90 (23 jaar) bij 4% reëel rendement, gediscondeerd terug naar 58 (9 jaar verderop):
Op 67 nodig: € 9.600 × ((1 − 1,04^−23) / 0,04) = € 9.600 × 14,86 = € 142.660 Gediscondeerd naar 58: € 142.660 / 1,04^9 = € 100.207
De optelling
Wat Marc nodig heeft op 58:
| Fase | Bedrag |
|---|---|
| Brugjaren 58-67 | € 438.685 |
| Pensioenfase 67-90 | € 100.207 (op 58) |
| Totaal nodig op 58 | € 538.891 |
Wat Marc heeft op 58: € 624.158.
Overschot: € 85.267.
Marc kan op zijn 58e stoppen. Met buffer voor onverwachte uitgaven, een nieuwe auto over een paar jaar, en een vakantie of twee per jaar.
Wat als de aannames anders uitpakken?
De berekening hierboven gebruikt centrale aannames. Wat als ze afwijken?
Scenario 1: rendement valt tegen.
Bij 3% reëel rendement (in plaats van 5% beleggen / 4% sparen) groeit zijn vermogen op 58 tot ongeveer € 562.000 (in plaats van € 624.158). Hij heeft dan ongeveer € 30.000 te kort om beide fasen te dekken.
Oplossing: een extra jaar werken (53 jaar tot 59 stoppen), of behoefte verlagen naar € 3.300 in plaats van € 3.500 netto.
Scenario 2: inflatie hoger dan 2,5%.
Bij 3,5% inflatie en gelijke indexering daalt zijn werkelijke koopkracht in de pensioenfase verder. Tekort vanaf 67 wordt € 850/maand in plaats van € 620.
Marc kan compenseren door tijdens de brugjaren minder uit te geven (€ 3.300 in plaats van € 3.500), waarmee zijn restvermogen op 67 hoger uitkomt.
Scenario 3: AOW-leeftijd schuift verder op.
Vanaf 2028 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar en 3 maanden. Bij verdere stappen verschuift Marc's AOW-startdatum mee. Drie maanden extra brugperiode kost ongeveer € 13.000 extra vermogen.
Voor hoe de Wtp-overgang specifiek werkt is een aparte gids beschikbaar. En voor het complete FIRE-rekenmodel met varianten is de pillar-gids beschikbaar.
Veel mensen die FIRE overwegen, hebben de berekening nooit gemaakt voor hun eigen situatie. Ze rekenen met de 4%-regel, of met een vuistregel uit een blog. Marc's case toont waarom dat niet werkt: de Nederlandse fiscaliteit (box 3, AOW-timing, pensioenpijler 2 die pas op 67 begint) maakt het FIRE-getal anders dan in de Amerikaanse boekjes staat.
Bij Marc was het uiteindelijke verschil tussen "doe het op gevoel" en "reken het uit": dat hij gerust kon stoppen op 58 in plaats van veiligheidshalve te wachten tot 60 of 62. Twee tot vier jaar van zijn leven, terug.
Heb jij voor jezelf zo'n volledige doorrekening al gemaakt, of werk je nog op vuistregels? Mail me met je startleeftijd en doelstoplleeftijd, dan kan ik in een vervolgartikel anonimiseerd je situatie vergelijken met die van anderen.
Wat de tool doet
Mijn VermogensPlanner doet de berekening die hierboven staat, voor jouw situatie. Vier vragen: leeftijd, vermogen, inleg, doelleeftijd. De uitkomst toont je vermogen op de doelleeftijd, of dat genoeg is voor brug + pensioenfase, en wat je marge is bij verschillende rendementsscenario's.
Box 3 zit erin, AOW zit erin, brugjaren ook. Geen Amerikaanse aannames. Stap 1 tot 3 zijn gratis.
Of vergelijk eerst of een planner of een adviseur bij jou past.
Gratis tool
Pensioenstresstest: hoe robuust is je plan bij een marktcrash?
Voer je vermogen, rendement en jaarlijkse onttrekking in — en zie via 500 Monte Carlo-scenario's hoe groot de kans is dat je vermogen het uithoudt tot je 95e.
Doe de pensioenstresstest gratisZelf berekenen?
Reken jouw persoonlijke situatie door in de planner.

Geschreven door Serge van der Pluijm
Oprichter Mijn VermogensPlanner. Schrijft over vermogen, belasting en pensioen voor zelfstandig denkenden.