Loondienst
70%-regel pensioen — klopt deze vuistregel voor Nederland?
Geschiedenis en huidige relevantie van de 70%-regel voor pensioen. Wanneer de regel wel werkt, wanneer niet, en wat ervoor in de plaats komt.
Een Amerikaanse vakbondsregel uit een ander tijdperk
In bijna elke Nederlandse pensioencalculator staat de 70%-regel als startpunt. Banken gebruiken hem. HR-afdelingen gebruiken hem. Jongeren krijgen hem op school of in hun eerste financiële advies te horen.
Wat veel minder mensen weten: de regel is van Amerikaanse vakbondsoorsprong, ontstaan in de jaren 60-70, en is nooit aangepast aan veranderde demografie of economie.
Dit artikel onderzoekt waar de regel vandaan komt, wat er nog van klopt voor 2026, en wat ervoor in de plaats komt.
De oorsprong: AFL-CIO en TIAA-CREF
De 70%-regel komt uit Amerikaans vakbondswerk in de jaren 60. De AFL-CIO (de federatie van Amerikaanse vakbonden) zocht een vuistregel om met werkgevers over pensioenpremies te onderhandelen. De vraag was: hoe hoog moet een werknemerspensioen zijn om hetzelfde levenspeil mogelijk te maken als tijdens de werkende jaren?
Onderzoekers van TIAA-CREF (een groot Amerikaans pensioenfonds) keken naar de uitgavenpatronen van Amerikaanse gezinnen rond 1965. Ze concludeerden dat op pensioenleeftijd ongeveer 30% van het inkomen niet meer nodig was: pensioenpremie wegviel, sociale lasten daalden, werkgerelateerde kosten verdwenen. Vandaar 70% van het laatste inkomen.
De regel werkte voor zijn doel: een richtlijn in collectieve onderhandelingen. Hij was nooit bedoeld als persoonlijk planningsinstrument. Maar via studies en handboeken vond hij zijn weg naar persoonlijke financiële planning.
In Nederland kwam hij vermoedelijk binnen via management-literatuur in de jaren 80-90. Hij is sindsdien overgenomen door pensioencalculators, banken en HR-afdelingen, zonder dat iemand hem opnieuw heeft onderzocht voor de Nederlandse situatie van 2026.
Een vuistregel is een hulpmiddel om snel een ruwe schatting te maken. Geen vervanging voor een precieze berekening. De 70%-regel is om die reden niet "verkeerd". Hij is gewoon te ruw voor de meeste persoonlijke situaties van 2026.
De vier aannames die niet meer kloppen
Aanname 1: kostwinner-model.
In 1965 was 70% van de Amerikaanse gezinnen kostwinner-model: één inkomen, één hypotheek, één partner thuis. In Nederland 2026 is dat fundamenteel anders. Tweeverdieners zijn de norm, vooral in de doelgroep van pensioenplanning (35-55-jarigen).
Voor tweeverdieners valt op pensioenleeftijd niet één keer maar twee keer een kostencategorie weg. Pensioenpremies, woon-werkkosten, sociale lasten verdwijnen voor beide partners. Werkelijke uitgavendaling: vaak 35-45% in plaats van 30%.
Werkelijk percentage benodigd: 55-65% van laatste gezamenlijke bruto-inkomen.
Aanname 2: hypotheek tot pensioenleeftijd.
In 1965 hadden Amerikanen meestal een 20-30 jarige hypotheek die rond pensioenleeftijd was afgelost. In Nederland 2026 niet altijd. Veel mensen hebben een aflossingsvrije hypotheek of een hypotheek die nog jaren doorloopt na pensioendatum.
Voor wie nog hypotheek heeft op zijn 67e zakt de behoefte minder dan 30%. Het werkelijke percentage komt dichter bij de 70%, of zelfs hoger bij grote hypotheken. De 70%-regel klopt voor deze specifieke groep beter dan voor de gemiddelde Nederlander.
Aanname 3: kinderen lang uit huis.
Amerikanen in de jaren 60 trouwden gemiddeld op hun 22e en kregen direct kinderen. Op pensioenleeftijd waren de kinderen lang het huis uit en zelf voor zichzelf zorgend. In Nederland 2026 trouwen mensen later, krijgen kinderen later, en blijven kinderen langer thuis (gemiddeld vertrek tussen 25 en 30).
Voor wie op 60-62 met pensioen gaat zijn kinderen mogelijk net het huis uit, of nog studerend. Ondersteuning aan kinderen of kleinkinderen is vaak een doorlopende kostenpost. Plus: vermogen overgedragen aan kinderen verlaagt je box 3-grondslag, maar verhoogt niet je pensioenbehoefte.
Aanname 4: stabiele inflatie.
In de jaren 60 was inflatie laag en voorspelbaar. De 70%-regel rekent stilzwijgend met indexering. In Nederland 2026 is dat niet vanzelfsprekend: pensioenfondsen kunnen jaren niet indexeren bij lage dekkingsgraad. Wie 70% van zijn laatste salaris verwacht en 18% koopkrachtverlies ervaart over 20 jaar, zit substantieel onder zijn eigen verwachting.
Wanneer klopt de 70%-regel wel?
Eén specifieke groep: alleenstaande, hoge hypotheek tot 67, geen vermogen buiten pensioen, dure zorgkosten op latere leeftijd. Voor deze groep ligt het werkelijke percentage rond de 70%, soms zelfs hoger.
Voor alle anderen, wat het overgrote deel van de Nederlandse bevolking is, is 55-65% reëler. Dat is een verschil dat oploopt tot honderdduizenden euro's vermogensvereiste in een pensioenplan.
Ik schreef hierboven dat de regel niet meer klopt. Even precies: voor sommige groepen klopt hij. Single met grote hypotheek. Wie geen vermogen buiten pensioen heeft. Maar dat is een minderheid. Voor de meeste lezers van dit artikel ligt het percentage tussen 55% en 65% van het laatstverdiende bruto.
Wat in plaats van de 70%-regel?
Drie alternatieven voor wie meer precies wil rekenen.
Alternatief 1: drie maanden bonnetjes.
Verzamel je werkelijke uitgaven in drie maanden, schat in welke wegvallen op pensioendatum (woon-werkkosten, pensioenpremies, eventueel hypotheekaflossing) en welke erbij komen (zorgkosten, vrije tijd, schenkingen aan kinderen). Het resulterend bedrag is je werkelijke pensioenbehoefte.
Dit is wat Wim, in hoeveel pensioen heb je écht nodig op 67, deed. Hij kwam op € 3.180 netto/maand uit terwijl de 70%-regel € 4.550 bruto suggereerde.
Alternatief 2: Nibud-pensioenbudget.
Nibud biedt een gratis online tool waarmee je in 20 minuten een persoonlijk pensioenbudget krijgt. Op basis van inkomensgroep, gezinssamenstelling en woonsituatie. Verkrijgbaar via nibud.nl/pensioen.
Alternatief 3: drie-pijler-rekenmethode.
Bereken AOW + werknemerspensioen + eigen aanvulling apart per pijler, gecorrigeerd voor inflatie en belasting. Vergelijk met je werkelijke behoefte. Voor het volledige rekenhandboek over pensioen berekenen 2026 is de pillar-gids beschikbaar.
Een rekenvoorbeeld
Stel: laatste bruto-inkomen € 75.000, gehuwd, hypotheekvrije woning op pensioendatum.
Volgens 70%-regel: € 52.500 bruto/jaar = € 4.375 bruto/maand.
Volgens werkelijke berekening:
Huidige uitgaven: € 4.500 netto/maand (samen met partner). Wegvallend op pensioen: pensioenpremie (€ 600/maand), werkgerelateerde kosten (€ 300/maand). Erbij komend: vrije tijd (€ 250/maand), zorgkosten (€ 150/maand). Werkelijke pensioenbehoefte: € 4.000 netto/maand = € 4.800 bruto/maand.
Verschil tussen 70%-regel en werkelijke berekening: ongeveer € 425 per maand minder nodig dan de regel suggereert.
Op een pensioenhorizon van 25 jaar bij 4% reëel: € 425 × 12 × 15,62 = ongeveer € 79.700 minder vermogen nodig. Bijna een jaar werken minder.
Heb jij je pensioenbehoefte al berekend met de drie maanden bonnetjes-methode of vertrouw je op de 70%-regel? Mail me als de werkelijke berekening je verraste. Ik wil zien hoe ver de meeste lezers af zitten van wat de vuistregel zegt.
Tot slot
Voor wie zelf de berekening wil doen: Mijn VermogensPlanner gebruikt het drie-pijler-model met werkelijk uitgavenpatroon, niet de 70%-regel. Vier vragen, één getal. Stap 1 tot 3 zijn gratis.
Of bereken eerst hoeveel pensioen je écht nodig hebt op 67 als je vanaf de werkelijke behoefte wilt vertrekken.
Gratis tool
Pensioenstresstest: hoe robuust is je plan bij een marktcrash?
Voer je vermogen, rendement en jaarlijkse onttrekking in — en zie via 500 Monte Carlo-scenario's hoe groot de kans is dat je vermogen het uithoudt tot je 95e.
Doe de pensioenstresstest gratisBereken jouw pensioentekort
Hoeveel heb je zelf nog nodig naast AOW en werkgeverspensioen? Bereken wanneer jij kunt stoppen.
Stappen 1 t/m 3 gratis · Eenmalige aankoop voor het volledige plan

Geschreven door Serge van der Pluijm
Oprichter Mijn VermogensPlanner. Schrijft over vermogen, belasting en pensioen voor zelfstandig denkenden.